De formule
Hoe je BMI berekent
De body mass index schaalt gewicht tegenover lengte in het kwadraat, en levert één getal op dat als snelle screening op bevolkingsniveau wordt gebruikt om te zien of iemand ondergewicht, een gezond gewicht, overgewicht of obesitas heeft. Ze werd in de jaren 1830 bedacht door de Belgische statisticus Adolphe Quetelet voor bevolkingsonderzoek, niet als diagnostisch instrument voor individuen — wat mede verklaart waarom de beperkingen ervan zo vaak ter discussie staan.
De formule deelt het gewicht in kilogram door de lengte in meter in het kwadraat, dus iemand van 70 kg en 1,75 m komt uit op 70 ÷ 1,75² = 22,9. De WHO-categorieën zijn: onder 18,5 ondergewicht, 18,5-24,9 gezond gewicht, 25-29,9 overgewicht en 30+ obesitas, ongeacht leeftijd, geslacht of lichaamsbouw.
Waarom BMI belangrijk is
De categorieën zijn afgeleid uit sterftecijfers op bevolkingsniveau, dus een uitkomst binnen het gezonde bereik is een redelijk signaal op populatieniveau — maar BMI kan geen onderscheid maken tussen spieren en vet. Een gespierde sporter kan als "overgewicht" gelden ondanks een laag vetpercentage, terwijl iemand met weinig spiermassa en veel visceraal vet als "gezond gewicht" kan gelden.
Rekenvoorbeeld
Bij de standaardwaarden van 70 kg gewicht en 175 cm lengte is de BMI 70 ÷ 1,75² = 70 ÷ 3,0625 ≈ 22,86.
De uitkomst interpreteren
BMI als enige maat gebruiken negeert de vetverdeling, en die is klinisch wel degelijk relevant — taille-lengteratio en taille-heupratio zijn over het algemeen betere voorspellers van cardiovasculair risico omdat ze laten zien waar het vet zich bevindt, niet alleen hoeveel massa er in totaal is. Dit is een screeningsschatting, geen diagnose; bezorgdheid over gewicht en gezondheid bespreek je het best met een huisarts.
De WHO definieert 18,5 tot 24,9 als het gezonde-gewichtsbereik voor volwassenen, al gebruikt ze voor sommige Aziatische bevolkingsgroepen andere, doorgaans lagere drempels, omdat het gezondheidsrisico daar al bij een lagere BMI toeneemt.
Omdat de formule alleen lengte en gewicht gebruikt, en spier dichter is dan vet — BMI kan de twee dus niet uit elkaar houden. Daarom scoren bodybuilders en rugbyspelers op BMI vaak als "overgewicht" of "obees", ondanks een laag vetpercentage.