De formule
Hoe je de aflossing van een creditcard berekent
Een vast maandbedrag afspreken in plaats van telkens het minimum te betalen, is het meest doeltreffende wat je met een creditcardsaldo kan doen. Deze berekening toont hoe lang een vast bedrag erover doet om de schuld af te lossen en wat de rente daarbij kost.
Het minimumbedrag is meestal het grootste van 1% van het saldo plus rente, of een vaste ondergrens. Omdat het meekrimpt met het saldo, spreidt het de aflossing over tientallen jaren. Een vast bedrag krimpt niet mee, dus elke maand lost het meer van de hoofdsom af dan de vorige.
Waarom deze berekening belangrijk is
Het verschil tussen een vast bedrag en het minimum is niet marginaal — het is vaak het verschil tussen een schuld die binnen enkele jaren verdwijnt en een schuld die decennia blijft doorlopen. Het loont daarom om te zien welk bedrag nodig is voor een looptijd die je zelf aanvaardbaar vindt.
Rekenvoorbeeld
Bij een saldo van € 4.200 tegen 24,9% JKP en een vast maandbedrag van € 200 is de kaart in ongeveer 27,9 maanden afgelost. De totale rente komt daarbij uit op circa € 1.373, en je betaalt in totaal ongeveer € 5.573 terug.
De uitkomst interpreteren
Blijf je op de kaart uitgeven terwijl er een saldo op staat, dan begint elke nieuwe aankoop meteen rente op te bouwen en verandert de hele berekening. Vergelijk de rente met het saldo als vuistregel: het maandbedrag halveren doet meer dan de rentekost verdubbelen.
Bij € 200 per maand en 24,9% JKP duurt het ongeveer 36 maanden, met circa € 2.120 aan rente. Bij enkel het minimumbedrag loopt dat op tot vele jaren langer en een veelvoud van het saldo aan rente.
Vaak wel. Een persoonlijke lening heeft een vaste, doorgaans lagere rente en een vaste einddatum, terwijl een creditcardsaldo eindeloos kan blijven doorlopen. Vergelijk de JKP van de lening met de JKP van de kaart, en reken de eventuele dossierkosten mee voor je de knoop doorhakt.