De formule
Hoe je je reservefonds berekent
Een reservefonds is geld dat je volgens een vast schema opzij zet voor een kost die je al ziet aankomen: een nieuwe wagen, een dak, vennootschapsbelasting, servicekosten. In tegenstelling tot een noodfonds heeft het een vaste datum en een vast bedrag.
De berekening is een lijfrente in omgekeerde richting. In plaats van te vragen waarin een reeks stortingen uitgroeit, vraagt ze welke storting een gekend totaalbedrag bereikt tegen een gekende maand, met rente die intussen meewerkt.
Waarom een reservefonds belangrijk is
Let op de rentelijn. Over twee jaar bij 4% valt ze nauwelijks op; over tien jaar kan ze een tiende van het streefbedrag dekken — een argument om vroeg te beginnen met een groot reservefonds in plaats van later harder te moeten sparen.
Rekenvoorbeeld
Bij een benodigd bedrag van € 6.000, 24 maanden tot de vervaldatum en een jaarlijkse rentevoet van 4%: de maandelijkse storting komt uit op ongeveer € 240,55. Over 24 maanden leg je zelf ongeveer € 5.773,19 in, en de rente doet de resterende € 226,81.
De uitkomst interpreteren
Reservefondsen mislukken om gedragsredenen, niet om wiskundige redenen. Geld dat op de gewone betaalrekening blijft staan, wordt uitgegeven; een apart benoemd potje, met een doorlopende opdracht net na loondag, is wat het schema overeind houdt.
Een reservefonds is voor iets dat je weet dat eraan komt en kan prijzen — een noodfonds is voor wat je niet kan voorspellen. Het noodfonds aanspreken voor een geplande uitgave is precies wat een reservefonds moet voorkomen.
Herbereken met het nieuwe bedrag en de resterende maanden; de storting stijgt, maar het fonds is niet verloren. Voor kosten met echte onzekerheid, zoals verbouwingswerken, mik je best vanaf het begin 10–15% boven de offerte.