De formule
Hoe je je pensioenpot berekent
Een pensioenpot groeit uit twee bronnen tegelijk: het bedrag dat al op de rekening staat en op zichzelf blijft renderen, en nieuwe bijdragen die vanaf het moment dat ze binnenkomen nog verder kapitaliseren. Deze rekenmachine projecteert beide vooruit tegen hetzelfde veronderstelde jaarlijkse groeipercentage, tot één cijfer op je gekozen pensioenleeftijd.
De formule is TW = P × (1 + r)^t + C × (((1 + r)^t − 1) ÷ r) × (1 + r), met P de huidige pot, r het jaarlijkse rendement als decimaal, t het aantal jaren en C de bijdrage die eenmaal per jaar wordt toegevoegd.
Waarom het rendement zo zwaar doorweegt
Over lange periodes telt het veronderstelde rendement zwaarder dan het lijkt: bij 5% verdubbelt een saldo ruwweg om de 14,4 jaar (de regel van 72, 72 ÷ 5), terwijl dat bij 7% al om de 10,3 jaar gebeurt. Reken 20 jaar door tegen beide tarieven en de groeifactor stijgt van 2,65× naar 3,87× — een pot die 46% groter is enkel door het veronderstelde rendement met twee procentpunt op te trekken.
Rekenvoorbeeld
Bij een huidige pot van € 50.000, een toegevoegde bijdrage van € 500 per jaar, een jaarlijks groeipercentage van 5% en 20 jaar tot pensioen: de toekomstige waarde komt uit op ongeveer € 150.024,51. Alleen al de groei op het beginsaldo brengt het naar ongeveer € 132.664,89; de rest komt van de jaarlijkse bijdragen, die zelf ook nog renderen.
De uitkomst interpreteren
Behandel het geprojecteerde cijfer als één scenario, geen garantie — de berekening gaat ervan uit dat het rendement elk jaar exact gelijk blijft, wat in de praktijk nooit het geval is. Let vooral op het bijdrageveld: het wordt hier één keer per jaar toegevoegd, niet maandelijks. Vul je een maandbedrag in — bijvoorbeeld € 500 — dan telt de berekening voor het hele jaar maar één maand storting mee in plaats van de € 6.000 die je werkelijk hebt ingelegd. Vermenigvuldig een maandbedrag dus met 12 voor je het hier invult, anders wordt de geprojecteerde pot met bijna elf maanden bijdragen onderschat.
Veel — tien extra jaar tegen 5% rendement vermenigvuldigt wat er al gespaard is met ongeveer 1,63×, en levert bovendien een volledig decennium extra bijdragen op die daarna ook nog eens de tijd krijgen om te kapitaliseren. Later beginnen is een van de duurste beslissingen in pensioenplanning, want verloren beginjaren koop je later niet meer terug.
Beide kan, afhankelijk van waarin je het antwoord wilt uitdrukken. Een nominaal cijfer van 7% geeft de pot in toekomstig geld; trek de verwachte inflatie ervan af (vaak rond 2–2,5%) voor een reëel rendement van ongeveer 4,5–5%, wat de pot toont in de koopkracht van vandaag.