De formule
Hoe je de lijfrente-uitkering berekent
Dit is de opnamevraag: hoeveel kan een kapitaal jaarlijks uitkeren als het een vast aantal jaren moet meegaan en het restant intussen blijft renderen? Het antwoord is de lijfrente-uitkering, en het is de hypotheekformule toegepast op spaargeld in plaats van op schuld.
De uitkering wordt zo bepaald dat het saldo in het laatste jaar precies op nul uitkomt. Omdat het nog niet uitgekeerde restant blijft renderen, ligt de houdbare uitkering merkbaar hoger dan wanneer je het kapitaal gewoon door het aantal jaren zou delen.
Waarom dit cijfer belangrijk is
Vergelijk dit met een eeuwigdurend opnamepercentage. Een kapitaal over 25 jaar tot nul laten teruglopen ondersteunt ongeveer 7% per jaar bij een rendement van 5%, terwijl een portefeuille die eindeloos moet meegaan eerder rond 4% blijft. Dat verschil is de prijs van niet zonder geld komen te zitten.
Rekenvoorbeeld
Bij een kapitaal van € 250.000, een jaarlijkse rentevoet van 5% en 25 jaar van uitkeringen: de uitkering per jaar is 250000 × 0,05 ÷ (1 − 1,05^−25) ≈ € 17.738,11, ofwel ongeveer € 1.478,18 per maand. In totaal wordt over de looptijd ongeveer € 443.452,86 uitgekeerd.
De uitkomst interpreteren
Het resultaat behandelen alsof het inflatiebestendig is, is een valkuil. Een uitkering die vast blijft in geldtermen verliest over 25 jaar bij 2,5% inflatie ongeveer een derde van haar koopkracht, en daarom starten geïndexeerde lijfrentes zoveel lager.
Nee. Een commerciële lijfrente wordt geprijsd op basis van levensverwachting, het eigen beleggingsrendement van de verzekeraar en diens marge, en ze keert uit tot je overlijdt in plaats van gedurende een vaste termijn. Dit is de rekenkunde van een zelf beheerde opname.
Dan raakt het kapitaal vroegtijdig op. De volgorde telt evenveel als het gemiddelde rendement: slechte jaren aan het begin richten veel meer schade aan dan dezelfde jaren aan het einde, omdat de opnames dan uit een al geslonken saldo komen.