De formule
Hoe je snelheid berekent
Snelheid is verplaatsing gedeeld door tijd. Strikt genomen is het een vector inclusief richting, terwijl vaart (het Engelse "speed") alleen de grootte ervan is — een loper die een ronde baan aflegt, heeft aanzienlijke vaart en een gemiddelde snelheid van nul.
Deze berekening geeft de gemiddelde snelheid over het hele interval. De ogenblikkelijke snelheid — wat een snelheidsmeter toont — vereist de limiet als het tijdsinterval naar nul nadert, en daar komt de calculus om de hoek kijken.
Waarom snelheid belangrijk is
Snelheid ligt aan de basis van reistijdberekeningen, verkeersveiligheid en sportprestaties. Het is de meest gebruikte natuurkundige grootheid in het dagelijks leven, van de snelheidsmeter in de auto tot het tempo van een hardloper.
Rekenvoorbeeld
Bij een afstand van 400 m in 45 seconden is de snelheid 400 ÷ 45 ≈ 8,8889 m/s. Dat is 8,8889 × 3,6 = 32,0000 km/u, of 8,8889 × 2,23694 ≈ 19,8839 mph.
De uitkomst interpreteren
Handige omrekeningen: 10 m/s is 36 km/u, 27,8 m/s is 100 km/u, en een mijl in vier minuten komt neer op ongeveer 6,7 m/s. De standaardwaarden hierboven beschrijven een ronde van 400 m in 45 seconden.
Een veelgemaakte fout is het middelen van snelheden in plaats van tijden. Een rit heen bij 60 km/u en terug bij 30 km/u geeft gemiddeld 40 km/u, niet 45 — het langzamere stuk duurt langer en weegt dus zwaarder mee.
Vaart (het Engelse "speed") is een scalair met alleen grootte. Snelheid is een vector met grootte én richting, dus die verandert al bij een bocht, zelfs bij gelijkblijvende vaart.
Vermenigvuldig met 2,23694. Andersom vermenigvuldig je mph met 0,44704.