De formule
Waarom dit werkt
De drie binnenhoeken van elke driehoek tellen samen precies op tot 180°, ongeacht de vorm of grootte. Ken je twee hoeken, dan ligt de derde automatisch vast — er komt geen meting bij kijken, enkel aftrekken.
Hoe de berekening werkt
Een driehoek met een hoek van 60° en een hoek van 70° heeft een derde hoek van 50°. Maak een van de bekende hoeken 90°, dan moeten de andere twee samen de resterende 90° invullen — daarom zijn de twee niet-rechte hoeken van een rechthoekige driehoek altijd elkaars complement.
Rekenvoorbeeld
Met de standaardwaarden Hoek A = 60° en Hoek B = 60°: Hoek C = 180 - (60 + 60) = 60°. Alle drie de hoeken zijn dus gelijk, wat betekent dat dit een gelijkzijdige driehoek is.
De uitkomst interpreteren
Komt het resultaat op 0° of negatief uit, dan tellen de twee ingevoerde hoeken al op tot 180° of meer, wat bij een echte driehoek onmogelijk is — controleer dan je invoer. Een uitkomst rond 60° met twee andere hoeken die ook rond 60° liggen, beschrijft een gelijkzijdige driehoek.
Vul in deze velden geen zijlengtes in — deze rekenmachine accepteert enkel hoeken in graden. Ken je zijden in plaats van hoeken, dan heb je de cosinusregel of sinusregel nodig, niet deze pagina.
Ja, voor elke platte (Euclidische) driehoek — dat geldt of ze nu ongelijkzijdig, gelijkbenig of rechthoekig is. Het klopt alleen niet meer op een gebogen oppervlak, zoals een driehoek getekend op een wereldbol, en dat valt buiten wat deze rekenmachine aankan.
Nee — twee rechte hoeken tellen samen al op tot 180°, waardoor er niets overblijft voor de derde hoek. De vorm valt dan samen tot een rechte lijn in plaats van een driehoek.