De formule
Hoe je versnelling berekent
Versnelling is de snelheid waarmee de snelheid zelf verandert. Het is wat je in de stoel voelt drukken, en in tegenstelling tot snelheid is het rechtstreeks waarneembaar — een gelijkmatige beweging voelt op elke snelheid als niets.
De afstand-uitkomst gebruikt het gemiddelde van begin- en eindsnelheid, wat exact klopt bij constante versnelling. Bij variabele versnelling is daarvoor integratie nodig.
Waarom versnelling belangrijk is
Versnelling bepaalt hoe snel een voertuig optrekt, hoeveel g-kracht een piloot of astronaut ondergaat, en hoeveel afstand nodig is om van stilstand tot een gewenste snelheid te komen. Het is een van de sleutelgetallen in voertuigontwerp en ruimtevaart.
Rekenvoorbeeld
Bij een beginsnelheid van 0 m/s, een eindsnelheid van 27,8 m/s in 6,4 seconden is de versnelling (27,8 − 0) ÷ 6,4 ≈ 4,3438 m/s², oftewel ongeveer 0,4429 g. De afgelegde afstand is (0 + 27,8) ÷ 2 × 6,4 = 88,96 m.
De uitkomst interpreteren
De standaardwaarden beschrijven een auto die in 6,4 seconden 100 km/u bereikt — ongeveer 4,3 m/s², of 0,44 g. Een gevechtspiloot kan kortstondig 9 g doorstaan; aanhoudende blootstelling boven ongeveer 5 g veroorzaakt bewustzijnsverlies.
Negatieve versnelling is niet hetzelfde als afremmen in het algemeen. Versnelling is een vector: een negatieve waarde betekent dat de verandering in de negatieve richting gaat, wat alleen afremmen betekent als het voorwerp de andere kant op beweegt.
9,80665 m/s², de standaard valversnelling aan het aardoppervlak. Versnellingen uitdrukken als veelvoud daarvan maakt ze intuïtiever.
Vanuit stilstand geldt a = 2s ÷ t². Bij een beginsnelheid ongelijk aan nul gebruik je s = ut + ½at² en los je op naar a.