Een rekenmachine bovenop belastingformulieren op een donker bureau
Belasting

Vennootschapsbelasting 2026: het standaardtarief, het verlaagd tarief en de minimumbezoldiging

Foto van Kelly Sikkema · Unsplash

Het verlaagd tarief van 20% klinkt eenvoudig, maar hangt af van vier voorwaarden tegelijk — en net de minimumbezoldiging daarvan ligt in 2026 weer hoger dan vorig jaar.

Het standaardtarief in de vennootschapsbelasting bedraagt in 2026 nog steeds 25%, maar kleine vennootschappen die aan een reeks voorwaarden voldoen betalen slechts 20% op hun eerste € 100.000 winst. Eén van die voorwaarden botst geregeld met de realiteit van kleine ondernemingen: minstens één bedrijfsleider moet een minimumbezoldiging krijgen die voor inkomstenjaar 2026 opnieuw hoger ligt dan het jaar voordien. Wie dat detail mist, verliest het verlaagd tarief niet gedeeltelijk, maar helemaal — een verschil dat kan oplopen tot € 5.000 extra belasting per jaar.

Het standaardtarief: 25%

Volgens de FOD Financiën bedraagt het tarief van de vennootschapsbelasting 25%, en dat geldt sinds aanslagjaar 2021 voor elk belastbaar tijdperk dat ten vroegste op 1 januari 2020 begint. Dat tarief is niet gewijzigd voor 2026 en wordt toegepast op de fiscale nettowinst van je vennootschap — een bedrag dat pas wordt vastgesteld nadat het boekhoudkundig resultaat is gecorrigeerd met vrijstellingen, verworpen uitgaven en de diverse fiscale aftrekken die de wet toelaat. Voor de meeste vennootschappen in België is dit tarief het uitgangspunt; alleen wie aan de voorwaarden hieronder voldoet, betaalt op een deel van de winst minder.

Het verlaagd tarief van 20% voor kleine vennootschappen

Kleine vennootschappen kunnen op hun eerste € 100.000 belastbare winst 20% betalen in plaats van 25%. Dat is geen automatisme: je moet vier voorwaarden tegelijk vervullen.

  • Kleine vennootschap. Je vennootschap mag, op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één van drie criteria overschrijden (zie tabel hieronder).
  • Minimumbezoldiging. Minstens één bedrijfsleider, een natuurlijke persoon, moet een minimumbezoldiging krijgen die jaarlijks geïndexeerd wordt (zie verder).
  • Geen financiële vennootschap. Vennootschappen waarvan de activiteit overwegend bestaat uit het aanhouden van aandelen van andere ondernemingen komen niet in aanmerking.
  • Aandeelhouderschap. Meer dan 50% van de aandelen moet rechtstreeks in handen zijn van één of meer natuurlijke personen, niet van een andere vennootschap.

De eerste voorwaarde volgt de definitie van een "kleine vennootschap" uit het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. Je vennootschap is klein zolang ze niet meer dan één van deze drie grenzen overschrijdt, over de laatste twee afgesloten boekjaren:

CriteriumGrens
Jaarlijkse netto-omzet (excl. btw)€ 11.250.000
Balanstotaal€ 6.000.000
Jaargemiddelde aantal werknemers50

Overschrijd je meer dan één van die drie grenzen, dan geldt je vennootschap fiscaal als "groot" en valt het verlaagd tarief sowieso weg, ongeacht wat de andere drie voorwaarden hierboven opleveren. Deze beoordeling gebeurt bovendien niet op basis van één enkel boekjaar: de wet kijkt naar de laatste twee afgesloten boekjaren, zodat een eenmalige piek in omzet of balanstotaal niet meteen je status als kleine vennootschap in gevaar brengt.

De minimumbezoldiging: van € 45.000 naar € 51.000

De voorwaarde die de meeste kleine vennootschappen daadwerkelijk raakt, is de minimumbezoldiging. Om het verlaagd tarief te behouden, moet minstens één bedrijfsleider een brutobezoldiging krijgen die minstens gelijk is aan een wettelijk vastgelegd bedrag — en dat bedrag ligt voor inkomstenjaar 2026 hoger dan voor inkomstenjaar 2025:

PeriodeVereiste minimumbezoldiging
Inkomstenjaar 2025 (aanslagjaar 2026)€ 45.000
Inkomstenjaar 2026 (aanslagjaar 2027)€ 51.000

Die stijging komt uit twee bewegingen tegelijk. De programmawet van 18 juli 2025 trok het wettelijke basisbedrag op van € 45.000 naar € 50.000, geldig vanaf inkomstenjaar 2026. Bovenop die eenmalige verhoging wordt het bedrag voortaan ook jaarlijks geïndexeerd, net zoals veel andere fiscale grensbedragen — voor inkomstenjaar 2026 komt de geïndexeerde minimumbezoldiging daardoor al op € 51.000 uit, niet op de kale € 50.000 uit de wettekst. Reken dus telkens met het geïndexeerde bedrag van het lopende jaar, niet met het basisbedrag uit de wet zelf.

Voor de eerste vier boekjaren na de oprichting van een vennootschap geldt de minimumbezoldiging niet: startende ondernemingen krijgen die periode de tijd om winstgevend te worden voor deze voorwaarde meespeelt. Let ook op de samenstelling van dat bedrag: de minimumbezoldiging mag voor maximaal 20% bestaan uit voordelen van alle aard, zoals het privégebruik van een bedrijfswagen. Bestaat de bezoldiging grotendeels uit dergelijke voordelen in plaats van een reëel uitbetaald loon, dan loop je het risico dat de fiscus de voorwaarde alsnog als niet vervuld beschouwt.

Wat als de winst lager is dan de minimumbezoldiging?

Een kleine vennootschap met weinig winst hoeft niet altijd het volledige bedrag van € 51.000 uit te keren. Is de belastbare winst van het boekjaar lager dan de vereiste minimumbezoldiging, dan volstaat een bezoldiging die minstens gelijk is aan die winst zelf. Een vennootschap met € 30.000 belastbare winst voldoet dus al aan deze voorwaarde met een bezoldiging van € 30.000 — ze hoeft niet kunstmatig meer uit te keren dan ze aan winst heeft gemaakt. Zodra de winst boven de minimumbezoldiging uitstijgt, geldt opnieuw het volledige, vaste bedrag uit de tabel hierboven.

Rekenvoorbeeld: wat het verlaagd tarief oplevert

Neem een kleine vennootschap met € 150.000 belastbare winst, die aan alle vier de voorwaarden voldoet. Alleen de eerste schijf van € 100.000 geniet het verlaagd tarief; de rest wordt gewoon tegen 25% belast:

SchijfTariefBelasting
Eerste € 100.00020%€ 20.000
Resterende € 50.00025%€ 12.500
Totaal met verlaagd tarief€ 32.500

Zonder het verlaagd tarief zou diezelfde vennootschap € 150.000 × 25% = € 37.500 betalen. Het verschil, € 5.000, is precies het maximale voordeel van het verlaagd tarief: 5 procentpunt op een schijf van € 100.000. Een kleine vennootschap met minder winst dan € 100.000, bijvoorbeeld € 80.000, betaalt met het verlaagd tarief € 16.000 in plaats van € 20.000 — een besparing van € 4.000, evenredig kleiner omdat de volledige winst binnen de verlaagde schijf valt.

Wie sowieso is uitgesloten

Los van de vier voorwaarden hierboven sluit de wet bepaalde vennootschappen expliciet uit van het verlaagd tarief, ongeacht hun grootte of winst: financiële vennootschappen, beleggingsvennootschappen, vastgoedbeleggingsvennootschappen en instellingen voor pensioenfinanciering. De gedachte daarachter is dat het verlaagd tarief een steun moet zijn voor operationele kleine ondernemingen, niet voor vennootschapsstructuren die vooral dienen om vermogen te beheren of aandelen van andere ondernemingen aan te houden.

Ook een vennootschap die zelf niet financieel of vastgoedgericht is, kan alsnog buiten de boot vallen via de vierde voorwaarde hierboven: is meer dan de helft van de aandelen in handen van een andere vennootschap in plaats van rechtstreeks van een natuurlijke persoon, dan geldt het verlaagd tarief niet, ongeacht de activiteit of de omvang van de onderneming zelf. Deze regel raakt vooral holdingstructuren, waarbij een werkmaatschappij via een aparte managementvennootschap wordt aangehouden.

Wat te controleren voor je eigen vennootschap

  • Reken met het geïndexeerde bedrag van het lopende inkomstenjaar voor de minimumbezoldiging, niet met het wettelijke basisbedrag van € 50.000 — voor inkomstenjaar 2026 is dat € 51.000.
  • Controleer alle drie de groottecriteria over de laatste twee afgesloten boekjaren, niet enkel het lopende boekjaar — de beoordeling van "klein" kijkt terug in de tijd.
  • Ben je nog in je eerste vier boekjaren na oprichting, dan speelt de minimumbezoldiging nog geen rol, maar de andere drie voorwaarden blijven wel gelden.
  • Eén enkele voorwaarde die niet vervuld is, doet het volledige verlaagd tarief wegvallen voor dat boekjaar — er bestaat geen gedeeltelijke toepassing.

Bronnen

Dit is algemene informatie, geen fiscaal advies. Of je vennootschap effectief aan alle voorwaarden voor het verlaagd tarief voldoet, hangt af van je volledige situatie, inclusief elementen die hier niet aan bod kwamen. Raadpleeg voor een beslissing over je eigen aangifte een erkend boekhouder, accountant of de FOD Financiën rechtstreeks.

Veelgestelde vragen

Wat is het tarief van de vennootschapsbelasting in 2026?
Het standaardtarief bedraagt 25%. Kleine vennootschappen die aan vier cumulatieve voorwaarden voldoen, betalen 20% op hun eerste € 100.000 belastbare winst.
Hoeveel moet de minimumbezoldiging van de bedrijfsleider zijn in 2026?
Voor inkomstenjaar 2026 (aanslagjaar 2027) bedraagt de geïndexeerde minimumbezoldiging € 51.000 bruto per jaar, tegenover € 45.000 voor inkomstenjaar 2025.
Wat als de winst van mijn vennootschap lager is dan de minimumbezoldiging?
Dan volstaat een bezoldiging die minstens gelijk is aan de belastbare winst van dat boekjaar — je hoeft niet meer uit te keren dan je vennootschap effectief aan winst maakte.
Geldt de minimumbezoldiging ook voor startende vennootschappen?
Nee. Tijdens de eerste vier boekjaren na oprichting speelt deze voorwaarde niet mee, al blijven de andere drie voorwaarden — kleine vennootschap, geen financiële vennootschap, aandeelhouderschap — wel van toepassing.
Wanneer ben ik een "kleine vennootschap"?
Zolang je, over de laatste twee afgesloten boekjaren, niet meer dan één van drie criteria overschrijdt: € 11.250.000 omzet, € 6.000.000 balanstotaal of 50 werknemers.
Hoeveel kan ik besparen met het verlaagd tarief?
Maximaal € 5.000 per jaar — het verschil tussen 25% en 20% op een schijf van € 100.000. Bij minder dan € 100.000 winst is de besparing evenredig kleiner.