Fiscaal voordeel pensioensparen in 2026: twee plafonds, twee percentages
Foto van Fabian Blank · Unsplash
Pensioensparen levert een belastingvermindering op, maar niet lineair: meer sparen kan minder opleveren. Hier zijn de twee plafonds voor 2026 en wat ze in euro's concreet waard zijn.
Voor pensioensparen in 2026 kies je tussen twee plafonds: maximaal € 1.050 storten levert 30% belastingvermindering op, maximaal € 1.350 levert 25% op — maar wie daartussenin stort, loopt in een bekende val. Beide plafonds en percentages liggen wettelijk vast, maar hoe ze op elkaar inwerken is minder vanzelfsprekend dan de meeste spaarders denken. Hieronder staat wat elk plafond concreet oplevert, gebaseerd op de officiële cijfers van de FOD Financiën.
De twee plafonds op een rij
Deze keuze tussen twee plafonds bestaat sinds de hervorming van 2018, toen de wetgever pensioensparen met een enkel, lager plafond verving door de huidige constructie met een basisplafond en een hoger alternatief. De bedoeling was spaarders die het zich kunnen veroorloven, aan te moedigen om meer opzij te zetten voor hun pensioen, in ruil voor een iets lager tarief van belastingvermindering op dat hogere bedrag.
| Plafond | Belastingvermindering | Maximaal voordeel |
|---|---|---|
| € 1.050 | 30% | € 315 |
| € 1.350 | 25% | € 337,50 |
Belangrijk om te onthouden: je kiest één plafond voor je volledige spaarjaar, niet een combinatie van beide. Zodra je meer dan € 1.050 stort, geldt het tarief van 25% op je volledige storting — niet enkel op het stuk boven € 1.050. Dat mechanisme ligt aan de basis van de val in de volgende sectie. Deze bedragen komen rechtstreeks van de pagina van de FOD Financiën over pensioensparen.
Waarom meer sparen soms minder oplevert
Omdat de 25% van toepassing is op het volledige bedrag zodra je boven € 1.050 stort, en niet enkel op het surplus, kan een storting net boven het lage plafond een lagere belastingvermindering opleveren dan wanneer je gewoon bij € 1.050 was gebleven:
| Storting | Tarief | Belastingvermindering |
|---|---|---|
| € 1.050 | 30% | € 315 |
| € 1.150 | 25% | € 287,50 |
| € 1.260 | 25% | € 315 |
| € 1.350 | 25% | € 337,50 |
Bij € 1.150 krijg je € 287,50 terug — minder dan de € 315 die je met een storting van € 1.050 al haalde, ondanks dat je € 100 meer opzij zette. Pas vanaf € 1.260 haal je opnieuw hetzelfde voordeel als bij het lage plafond, en enkel boven dat kantelpunt levert extra sparen ook effectief extra belastingvermindering op. Wie boven € 1.050 wil sparen, doet er dus goed aan meteen door te stoten tot minstens € 1.260, en bij voorkeur tot het maximum van € 1.350. Deze val is geen fout in het systeem, maar een rechtstreeks gevolg van hoe het lagere en het hogere tarief elkaar afwisselen: zodra je de grens van € 1.050 overschrijdt, verlies je het gunstigere tarief van 30% op je volledige storting, niet enkel op het extra bedrag dat je erbovenop legt.
Wie recht heeft op de belastingvermindering
Niet iedereen die een pensioenspaarrekening opent, krijgt automatisch de vermindering. Je moet bij het afsluiten van het contract minstens 18 en jonger dan 65 jaar zijn, je fiscale woonplaats in België of een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte hebben, en het pensioenspaarproduct moet een looptijd van minstens 10 jaar hebben. Dit geldt zowel voor een pensioenspaarrekening bij een bank als voor een pensioenspaarverzekering bij een verzekeraar — beide vormen vallen onder dezelfde plafonds en tarieven.
Pensioenspaarrekening of pensioenspaarverzekering
De belastingvermindering zelf verschilt niet naargelang je voor een rekening bij een bank of een verzekering bij een verzekeraar kiest — beide tellen mee voor hetzelfde plafond, en storten in beide tegelijk boven het gekozen plafond levert geen extra voordeel op. Het verschil zit in de opbouw: een pensioenspaarrekening belegt je geld in fondsen en het rendement schommelt mee met de markt, terwijl een pensioenspaarverzekering doorgaans een gewaarborgd minimumrendement biedt, aangevuld met een eventuele winstdeelname. Beide vormen kennen daarnaast een eindbelasting rond de leeftijd van 60 jaar, die losstaat van de jaarlijkse belastingvermindering die in dit artikel centraal staat. Welke vorm het beste past, hangt af van je risicobereidheid en beleggingshorizon, niet van het fiscale voordeel — dat is voor beide identiek.
Waarom deze plafonds niet elk jaar stijgen
Normaal gezien worden fiscale plafonds zoals deze jaarlijks geïndexeerd, gekoppeld aan de evolutie van de prijzen. Voor aanslagjaar 2026 gebeurde dat nog een laatste keer, maar de wet van 18 december 2025 bevriest de indexering van een reeks fiscale uitgaven voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2030 — pensioensparen vormt daarbij een uitzondering doordat de plafonds nog wél geïndexeerd werden voor aanslagjaar 2026, om pas vanaf aanslagjaar 2027 bevroren te worden. Concreet betekent dit dat de plafonds van € 1.050 en € 1.350 de komende jaren ongewijzigd blijven, in plaats van elk jaar een klein stukje te stijgen zoals voorheen. Voor spaarders verandert dat in de praktijk weinig aan de plafonds zelf, maar het betekent wel dat het maximale bedrag dat je fiscaal voordelig kan wegzetten, de komende jaren niet meegroeit met de inflatie — iets om rekening mee te houden als je je pensioenspaarplan voor de langere termijn uitstippelt.
Wat de belastingvermindering per saldo betekent
De belastingvermindering hierboven is een vermindering van de verschuldigde personenbelasting — geen storting op je rekening en geen korting bij aankoop. Stort je € 1.050 en heb je voldoende belasting verschuldigd om de volledige vermindering te benutten, dan betaal je over dat aanslagjaar € 315 minder personenbelasting, plus het aandeel gemeentebelasting dat op dat bedrag zou zijn geheven. Heb je onvoldoende belastbaar inkomen om de volledige vermindering te verzilveren, dan gaat een deel ervan verloren — de vermindering is niet terugbetaalbaar als er geen belasting tegenover staat. Let er ook op dat een uitkering van pensioensparen op eindleeftijd apart wordt belast, los van het jaarlijkse voordeel dat je nu opbouwt — een element dat in dit artikel niet verder wordt uitgewerkt.
Een belastingvermindering werkt daarbij anders dan een belastingaftrek. Bij een aftrek hangt het voordeel af van je marginale belastingschijf: hoe hoger je inkomen, hoe meer een aftrek in euro's oplevert. Bij pensioensparen is dat niet zo — de 30% of 25% wordt rechtstreeks van de verschuldigde belasting afgetrokken, ongeacht in welke schijf je zit. Twee spaarders die allebei € 1.050 storten, krijgen dus allebei exact € 315 belastingvermindering, of ze nu in de laagste of de hoogste belastingschijf vallen — op voorwaarde dat ze allebei voldoende belasting verschuldigd zijn om het volledige bedrag te kunnen verrekenen.
Bronnen
- Bron: Pensioensparen — FOD Financiën
- Bron: Belastingaangifte PB - Fiscale nieuwigheden - Aanslagjaar 2026 — FOD Financiën
Dit is algemene informatie, geen fiscaal of beleggingsadvies. Welk plafond het beste bij je past, hangt af van je volledige fiscale en financiële situatie, met inbegrip van elementen die hier niet aan bod kwamen, zoals de eindbelasting bij uitkering. Raadpleeg voor een beslissing over je eigen situatie de FOD Financiën rechtstreeks of een erkend financieel adviseur.