De formule
Hoe je de pOH berekent
De pOH is de alkalische tegenhanger van de pH en meet de hydroxide-ionconcentratie op dezelfde logaritmische schaal: pOH = −log₁₀[OH⁻]. De twee tellen bij 25 °C altijd op tot 14, dus de een is direct af te leiden uit de ander.
Die relatie komt uit het ionenproduct van water: [H⁺][OH⁻] = 1 × 10⁻¹⁴ bij 25 °C. Neem je van beide zijden de negatieve logaritme, dan volgt pH + pOH = 14.
Waarom de pOH belangrijk is
De pOH is handig wanneer je rechtstreeks met hydroxideconcentraties werkt, vooral bij sterke basen waar de hydroxideconcentratie bekend is en de waterstofionconcentratie verwaarloosbaar klein. In plaats van eerst om te rekenen naar [H⁺], reken je direct met de grootheid die je gemeten of toegevoegd hebt.
Een pOH van 3 betekent een sterk alkalische oplossing — pH 11 — zoals huishoudammonia. Een lage pOH staat voor een hoge hydroxideconcentratie, wat tegengesteld is aan de intuïtie die de meeste mensen bij pH hebben.
Rekenvoorbeeld
Met de standaardwaarde — een hydroxide-ionconcentratie van 0,001 mol/L — is de pOH −log₁₀(0,001) = 3. De pH komt daarmee op 14 − 3 = 11, en de waterstofionconcentratie is 10⁻¹⁷ mol/L.
De uitkomst interpreteren
De som van 14 geldt alleen bij 25 °C. Bij 60 °C stijgt het ionenproduct en tellen pH en pOH op tot ongeveer 13,02, dus bij precisiewerk moet de temperatuur vermeld worden.
Trek af van 14 bij 25 °C. Een pOH van 3,5 komt overeen met een pH van 10,5.
Het is handig wanneer je rechtstreeks met hydroxideconcentraties werkt, vooral bij sterke basen waarvan de hydroxideconcentratie bekend is en de waterstofionconcentratie verwaarloosbaar klein is.