De formule
Hoe je vermogen berekent
Vermogen is de snelheid waarmee arbeid wordt verricht of energie wordt overgedragen. Dezelfde klus in de helft van de tijd doen vraagt tweemaal zoveel vermogen — het onderscheid tussen hoeveel en hoe snel.
Bij mechanische systemen kan vermogen ook geschreven worden als kracht maal snelheid, wat vaak handiger is — het geleverde vermogen van een voertuig bij een bepaalde snelheid volgt rechtstreeks uit de kracht die het moet overwinnen.
Waarom vermogen belangrijk is
Vermogen bepaalt hoe zwaar een motor, verwarming of stroomaansluiting moet zijn om een taak binnen een bepaalde tijd te voltooien. Het is de grootheid achter het vermogen van auto's, het wattage van huishoudapparaten en de capaciteit van elektriciteitsnetten.
Rekenvoorbeeld
Bij 45.000 J arbeid in 60 seconden is het vermogen 45.000 ÷ 60 = 750 W. Dat komt overeen met 750 ÷ 745,7 ≈ 1,0058 pk. Een uur lang op dat tempo doorwerken kost 750 × 3.600 ÷ 3.600.000 = 0,75 kWh.
De uitkomst interpreteren
Ter referentie: een mens levert duurzaam ongeveer 100 W nuttig vermogen, een waterkoker trekt 3.000 W, en een gezinsauto piekt rond 100.000 W. Wielrenners die een uur lang 400 W volhouden, zitten op professioneel niveau.
Vermogen en energie worden vaak verward, ook op energierekeningen. Een kilowatt is een tempo; een kilowattuur is een hoeveelheid. Een verwarming van 2 kW die drie uur draait, verbruikt 6 kWh.
Watt meet het tempo van energieverbruik op een gegeven moment. Wattuur meet de totale gebruikte energie over een periode. Een lamp van 100 W die tien uur brandt, verbruikt één kilowattuur.
745,7 W voor mechanische pk, de versie die voor motoren wordt gebruikt. Metrische pk, gangbaar in continentaal Europa, is 735,5 W.