Hoe je werkloosheidsuitkering wordt berekend: percentages, loongrenzen en de nieuwe grens van 24 maanden
Foto van Cytonn Photography · Unsplash
Je uitkering hangt af van je laatst verdiende loon, je gezinstoestand en hoe lang je al werkloos bent — en sinds de hervorming van 2026 ook van een harde tijdslimiet die er vroeger niet was.
De eerste drie maanden werkloosheid krijg je 65% van je laatst verdiende brutoloon, begrensd tot een loongrens van € 4.351,50 per maand — daarna daalt dat percentage in stappen, en sinds 1 maart 2026 stopt het recht op een volledige uitkering hoe dan ook uiterlijk na 24 maanden. Hoeveel je precies ontvangt, hangt af van drie zaken tegelijk: je laatst verdiende loon, hoe lang je al werkloos bent, en je gezinstoestand. Dat laatste element verrast de meeste mensen het meest, want het kan het verschil maken tussen een uitkering die na een jaar nog altijd aan je loon gekoppeld is en één die volledig forfaitair wordt.
Je gezinstoestand bepaalt mee het bedrag
De RVA onderscheidt drie categorieën van werklozen, op basis van hun gezinssituatie:
- Samenwonende met gezinslast — je woont samen met minstens één gezinslid zonder of met een zeer beperkt eigen inkomen.
- Alleenwonende — je woont alleen, zonder andere volwassenen in het huishouden.
- Samenwonende zonder gezinslast — je woont samen met een partner of andere volwassene die zelf over een inkomen beschikt.
Deze indeling weegt vooral door zodra je de tweede vergoedingsperiode bereikt: dan bepaalt ze niet enkel de hoogte, maar ook of je uitkering nog stijgt op basis van je beroepsverleden. Voor de exacte definitie van elke categorie — bijvoorbeeld wanneer een inwonend meerderjarig kind wel of niet meetelt als gezinslid met een eigen inkomen — houdt de RVA een apart infoblad bij, omdat de feitelijke gezinssituatie soms anders wordt beoordeeld dan wat op papier lijkt te gelden.
Je loon wordt begrensd door een loongrens
De RVA neemt je loon niet onbeperkt in rekening. Verdiende je meer dan de toepasselijke loongrens, dan wordt je uitkering berekend op die grens, niet op je werkelijke loon. Die loongrens zelf verandert naarmate je langer werkloos bent:
| Loongrens | Wanneer van toepassing? | Bedrag per maand |
|---|---|---|
| Hoogste loongrens | Maand 1 tot 3 | € 4.351,50 |
| Middelste loongrens | Maand 4 tot 6 | € 4.091,39 |
| Laagste loongrens | Maand 7 tot 12 | € 3.328,40 |
Werkte je geen vier aaneensluitende weken bij dezelfde werkgever, of lag je brutomaandloon lager dan € 2.233,61, dan rekent de RVA met dat laatste bedrag als "referteloon" in plaats van je werkelijke loon. Deze bedragen worden periodiek aangepast; controleer bij twijfel altijd de actuele cijfers op rva.be.
De eerste vergoedingsperiode: drie fases in 12 maanden
Iedereen doorloopt dezelfde eerste periode van 12 maanden, opgedeeld in drie fases met een dalend percentage en een dalende loongrens:
| Fase | Percentage van je loon | Begrensd tot |
|---|---|---|
| Maand 1 tot 3 | 65% | Hoogste loongrens |
| Maand 4 tot 6 | 60% | Middelste loongrens |
| Maand 7 tot 12 | 60% | Laagste loongrens |
Dit is de "degressiviteit" waar de werkloosheidsreglementering om bekend staat: niet je persoonlijke situatie, maar de duur van je werkloosheid bepaalt in deze fase het percentage. Iedereen — ongeacht gezinstoestand — doorloopt deze eerste 12 maanden op dezelfde manier.
De tweede periode: een forfaitair bedrag
Duurt je werkloosheid langer dan 12 maanden, dan start een tweede vergoedingsperiode van maximaal 12 maanden. Vanaf dat moment is je uitkering niet langer een percentage van je laatst verdiende loon, maar een vast, forfaitair dagbedrag dat enkel nog van je gezinstoestand afhangt:
| Gezinstoestand | Dagbedrag | Gemiddeld per maand (× 26 dagen) |
|---|---|---|
| Samenwonende met gezinslast | € 70,99 | € 1.845,74 |
| Alleenwonende | € 57,53 | € 1.495,78 |
| Samenwonende zonder gezinslast | € 29,85 | € 776,10 |
Een samenwonende zonder gezinslast met voldoende beroepsverleden — 31 jaar in 2026, een grens die elk jaar met een jaar oploopt tot 35 jaar in 2030 — ziet dat dagbedrag verhogen tot € 42,37, ofwel gemiddeld € 1.101,62 per maand. Voltijdse werknemers ontvangen 6 daguitkeringen per week, wat volgens de RVA gemiddeld overeenkomt met 26 daguitkeringen per maand — vandaar de omrekening hierboven.
Rekenvoorbeeld op een brutoloon van € 3.000
Neem een samenwonende met gezinslast die laatst € 3.000 bruto per maand verdiende — ruim onder elke loongrens hierboven, dus zonder begrenzing:
| Periode | Berekening | Uitkering per maand |
|---|---|---|
| Maand 1 tot 3 | 65% van € 3.000 | € 1.950 |
| Maand 4 tot 12 | 60% van € 3.000 | € 1.800 |
| Maand 13 en verder | Forfaitair (samenwonende met gezinslast) | € 1.845,74 |
Opvallend: in dit voorbeeld ligt het forfaitaire bedrag van de tweede periode hoger dan de 60% van de eerste periode. Dat komt doordat het forfaitaire bedrag losstaat van het loon en voor deze gezinscategorie relatief hoog ligt — bij een hoger loon dan € 3.000 zou het omgekeerde gelden, en zou de uitkering bij de overstap naar de tweede periode net dalen.
Sinds 2026: een harde grens van 24 maanden
De werkloosheidsreglementering werd in 2026 fundamenteel hervormd. De programmawet van 18 juli 2025, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 29 juli 2025, beperkt het recht op een volledige werkloosheidsuitkering voortaan tot maximaal 24 maanden: een basisperiode van 12 maanden, aangevuld met maximaal 12 extra maanden afhankelijk van je beroepsverleden. Die nieuwe regeling geldt volledig voor elk dossier met een begindatum van werkloosheid vanaf 1 maart 2026. Wie op dat moment al langer werkloos was, viel onder een overgangsregeling die sinds 1 juli 2025 liep, met een geleidelijke einddatum van het recht in verschillende golven tussen januari 2026 en juli 2027, afhankelijk van de vergoedingsperiode en het beroepsverleden van de betrokkene.
Op deze tijdsbeperking gelden ook uitzonderingen: onder meer werklozen met een beschermingsuitkering, erkende havenarbeiders en zeevissers, werklozen in het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT), en werklozen ouder dan 55 jaar met meer dan 30 jaar beroepsverleden — een vereiste die zelf ook elk jaar met een jaar oploopt tot 35 jaar in 2030 — vallen niet onder deze nieuwe beperking in de tijd. Ook mindervalide werknemers die sinds 1 juli 2004 ononderbroken tewerkgesteld zijn in een maatwerkbedrijf, en werklozen die vóór 1 januari 2026 startten met een opleiding voor een knelpuntberoep, behouden hun recht voor de duur van hun specifieke situatie. Naast de volledige werkloosheidsuitkering beperkte de hervorming ook de inschakelingsuitkering — voor wie zonder voorafgaande tewerkstelling na de studies instroomt — tot maximaal één jaar.
Wat te controleren voor je eigen situatie
- Begon je werkloosheid vóór 1 maart 2026, dan gelden mogelijk andere regels en een andere einddatum dan hierboven beschreven — raadpleeg dan de overgangsmaatregelen op rva.be in plaats van de nieuwe regeling.
- De loongrenzen en forfaitaire bedragen hierboven worden periodiek aangepast; controleer voor een exact bedrag altijd de meest recente cijfers op rva.be.
- Val je onder een van de uitzonderingscategorieën, zoals SWT of een beschermingsuitkering, dan is de nieuwe beperking tot 24 maanden niet op jou van toepassing.
- Voor een uitkering op maat van je eigen loon, beroepsverleden en gezinstoestand is de uitbetalings- instelling (vakbond of Hulpkas HVW) betrouwbaarder dan een algemene berekening zoals hierboven.
Bronnen
- Bron: RVA — Infoblad T201, hoeveel bedraagt uw werkloosheidsuitkering na een tewerkstelling
- Bron: RVA — Hervorming van de werkloosheidsverzekering
Dit is algemene informatie, geen juridisch of sociaalrechtelijk advies. Het exacte bedrag van je uitkering hangt af van je volledige persoonlijke situatie, en de regelgeving werd in 2026 ingrijpend gewijzigd met overgangsmaatregelen die van persoon tot persoon verschillen. Raadpleeg voor je eigen dossier je vakbond, de Hulpkas voor Werkloosheidsuitkeringen (HVW) of de RVA rechtstreeks.